Stilstaan bij onderricht

Boeddha zei tegen de lekenvolgeling Dhammadinna:

‘Jullie moeten je oefenen om van tijd tot tijd de leerredes die door de Voleindigde uitgesproken zijn, die diep zijn, diep van betekenis, transcendent, die handelen over leegte, te bestuderen en erbij stil te staan. Zo moet er door jullie geoefend worden.’

Bron:
Breet, Jan de & Janssen, Rob: Samyutta Nikaya –
De verzameling van thematisch geordende leerredes 5.
Rotterdam 2013, p. 504

afsluiting

Alles bestaat uit geest

Illustratie: deskarati.com

In een artikel uit de Lion’s Roar van maart 2019 verklaart Zen-leraar Norman Fischer, een “kleinzoon” van Shunryu Suzuki roshi, hoe alles wat wij zijn en wat wij ervaren, geest is. Die geest is oorspronkelijke verlichting zelf, onze ware aard. De uitgever van dit artikel heeft toestemming verleend voor vertaling en publicatie ervan. (vertaling: Ad van Dun)

Misschien bestaat er in het boeddhisme niets kostbaarders, diepers en grondigers dan het onderricht over onze geest. Zolang wij niet enigszins vertrouwd zijn met het begrip geest, zoals dit met zijn talloze facetten in het onderricht wordt beschreven, is het moeilijk om een juiste waardering te voelen voor de totale context van de boeddhistische meditatiepraktijk en van de verlichting die ons als hoogste doel daarvan in het vooruitzicht wordt gesteld.

> HIER een pdf-versie van het volledige artikel, inclusief Engelstalig origineel

afsluiting

Dagbesteding


Toelichting: de oorspronkelijke titel van deze tekst van Zen-meester Zhaozhou (778-897) luidt “Lied van de twaalf uren van de dag”. Een loflied op de bevrijdingsweg.
N.b.: één uur in China staat gelijk aan twee uren in het Westen.

De haan kraait; het eerste uur van de dag.
Droefheid is voelbaar, moedeloos sta ik op.

Geen lendedoek, geen onderhemd,
enkel iets dat in de verte lijkt op een pij.
Een onderbroek zonder taille, de werkbroek aan flarden;
het hoofd bedekt met vijftien kilo grauwe stof.
Als je op deze manier oefent en anderen van dienst wilt zijn,
dan besef je wat voor nietsnut je eigenlijk bent.

Zonlicht op de vloer; het tweede uur van de dag.
Een vervallen tempel in een afgelegen dorp, niets noemenswaardigs.

In de ochtendpap is geen korrel rijst te vinden;
ik staar naar het open raam met zijn vuile scheuren.
Enkel het gekwetter van mussen, niemand die ik tot vriend ben;
zittend hier in mijn eentje, hoor ik af en toe wat bladeren vallen.
Wie zei er dat je met thuisverlaten alle voorkeur en tegenzin kwijtraakt?
Als ik erbij stilsta, wordt mijn zakdoek onwillekeurig vochtig van de tranen.

De zon komt op; het derde uur van de dag.
Ongereptheid verandert in rusteloze drang.

Lees verder...

Iets doen om beloning is begraven worden in het vuil;
het domein van grenzeloosheid is nog niet schoongeveegd.
Vaak fronsen zich mijn wenkbrauwen, zelden van harte tevreden;
het valt niet mee de verschrompelde grijze dorpelingen te verdragen.
Schenkingen hebben deze plek nooit weten te vinden;
een vrijlopende ezel vreet onkruid aan de ingang van de oefenruimte.

Etenstijd; het vierde uur van de dag.
Halfslachtig probeer ik het vuur aan te steken, aan alle kanten kijkend.

De voorraad meel en koekjes is vorig jaar al opgegaan;
nu ik eraan denk, krijg ik slechts speeksel te slikken.
Onophoudelijk gezucht: de dingen vallen zelden in verband;
temidden van de talrijke personen zijn er geen goede mensen.
Degenen die hier langskomen vragen enkel om een kop thee,
en als dit niets oplevert verdwijnen zij weer, nors mompelend.

Halverwege de ochtend; het vijfde uur van de dag.
Had iemand ooit gedacht, toen ik me kaal schoor, dat het er zo aan toe zou gaan?

Er was geen bijzondere aanleiding een dorpspriester te willen worden,
afgezonderd, hongerig en eenzaam, meer dood dan levend.
Van de kant van de brave burgers hier
heb ik nooit het geringste respect ervaren.
Onlangs nog kwamen zij aankloppen aan mijn poort,
maar het enige dat men zocht, was wat thee en wat papier te leen.

De zon staat in het Zuiden; het zesde uur van de dag.
Er zijn geen speciale voorschriften om te gaan bedelen voor rijst en thee.

Eerst naar de zuidelijke woningen, dan naar de noordelijke;
het spreekt vanzelf dat ik langs de route slechts excuses hoor.
Het zout is bitter, de gerst zuur,
een pasta van gierstgras, gemengd met snijbiet.
Noem het maar ‘Geschenken niet onwaardig zijn’;
een bodhisattva moet zijn geest van de Weg stevig vestigen.

Ondergaande zon; het zevende uur van de dag.
Draai alles om; niet langer opereer je in het gebied van licht en schaduw.

Ooit hoorde ik: “Eenmaal vervuld, vergeet je de verhongering.”
dat is precies hoe mijn lijf vandaag voelt.
Geen Zen-onderzoek, geen overwegen van wetmatigheid,
enkel het spreiden van deze haveloze mat en een dutje in de zon.
Een mens kan beelden maken, verhevener nog dan de Tushita-hemel,
maar dat haalt het niet bij deze zon-gebakken rug.

Namiddag; het achtste uur van de dag.
Kijk, iemand blijkt wierook te branden en buigingen te maken.

Van deze vijf oude dametjes hebben er drie een bierbuik,
de andere twee hebben een gezicht dat bol staat van de rimpels.
Lijnzaad-thee, zo zeldzaam,
dat de twee beschermgoden hun spieren niet hoeven te roeren.
Ik bid dat, als volgend jaar de zijde en gerst gerijpt zijn,
de eerwaarde Rahula mij zal groeten.

Zonsondergang; het negende uur van de dag.
Wat valt er te beschermen, behalve ongerepte wildernis?

Een monnik toont zijn grootsheid in functieloos bewogen worden;
van tempel tot tempel gaand, heeft hij de eeuwigheid.
Code overstijgende woorden komen niet via de mond;
belangeloos ga je verder waar Boeddha’s zonen ophielden.
In je handen een staf van onbewerkt braamhout,
om bergen te beklimmen, maar ook om honden te verjagen.

Gouden duisternis; het tiende uur van de dag.
Alleen rustend in het duister van dit ene, lege vertrek.

Voorgoed onvatbaar voor het flakkerend kaarslicht
is de puurheid hier voor mijn ogen gitzwart.
Zelfs een bel die braafjes de dag afrondt hoor ik niet,
enkel het luidruchtig gescharrel van oude ratten.
Wat heeft een mens nou nodig om zich verbonden te voelen:
elk van mijn gedachten is verlichtingsbesef.

Tijd om te slapen; het elfde uur van de dag.
Heldere maan boven de poort: misgunt hij zich ook maar iemand?

Nu ik weer naar binnen ga, betreur ik dat het bedtijd is;
de kleren om mijn lijf doen dienst als deken.
Hoofdmonnik Liu en asceet Chang:
prachtig, hoe zij lipwapperend goedheid bespreken!
Wat doet het ertoe als mijn loze vleesvracht wordt geledigd;
vraag je “Waarom?”, dan zal elk antwoord jou blijven verbijsteren.

Middernacht; het twaalfde uur van de dag.
Hoe zou dit beleven er zelfs maar één moment niét kunnen zijn?

Als ik denk nu aan hen die hun wereldse woning verlaten,
voel ik me een eeuwenoude tempeldienaar.
Er is dit bed van aarde, een versleten rieten mat,
en een oude, houten hoofdsteun zonder enige bekleding.
Het heilig beeld van de Boeddha krijgt geen wierookverering;
uit de as van het strovuur klinkt het schijten van de os.

Bron: James Green: The recorded sayings of Zen master Joshu. Boston 1998, p. 171
Vertaling: Gedel
Foto: Rakuten

sluiting

Over afgescheidenheid (meester Eckhardt)

Ik prijs afgescheidenheid* boven alle liefde.
Want het voornaamste van de liefde is dat zij mij dwingt God lief te hebben, terwijl daarentegen afgescheidenheid God dwingt om mij lief te hebben.

Nu is het veel heerlijker om God naar mij toe te dwingen dan mij naar God toe.
En dat komt omdat God zich voegzamer in mij kan voegen en zich beter met mij verenigen dan ik me zou kunnen verenigen met God.

Dat afgescheidenheid voor niets anders ontvankelijk is dan voor God bewijs ik met het volgende: wat ontvangen moet worden, moet ergens in ontvangen worden.
Nu komt afgescheidenheid het niets zo nabij, dat geen ding zo teer gebouwd is dat het daarin zou kunnen passen, behalve God.

Dit moet je weten: leeg en ontdaan zijn van al het geschapene is vol zijn van God, en vol zijn van al het geschapene is afwezigheid van God.

* Met afgescheidenheid wordt hier niet bedoeld scheiding, maar los staan, de puurheid van geen verwikkeling, vrij zijn van condities. Zen noemt dit vormloosheid, leegte, onvoorwaardelijkheid.

Meester Eckhart: Over God wil ik zwijgen;
preken en traktaten. Groningen 2014, p. 350

 

sluiting

Falend leraarschap (video)

Klik de afbeelding om de video te starten [opent nieuw venster].

Dialoog tussen Zen-leraar Doshin Nelson en Vedanta-leraar Andrew Cohen (sept. 2016).
Thema: de risico’s van leraarschap (voor jezelf en voor anderen).

Ons ego zoekt overal voordeel, ook in de Dharma.
Leraarschap wordt dan een machtig wapen:

  • bewogen door waarheidsliefde of zelfbedrog?
  • de zin van het leven zoeken of een eigen zin najagen?
  • je eigen tekorten beseffen of op anderen projecteren?

Dit is geen specifiek spiritueel probleem maar een diep-menselijk lijdensaspect, een grondknoop in onze onwijsheid.
Een betrouwbare leraar moet op zijn minst een voldoende rijpe beoefenaar zijn – en niks extra’s.

Leerling:

  • authenticiteit bewaren (naar zichzelf)
  • eindkwaliteit verwachten (naar leraar)

Leraar:

  • vervullende leegte (naar zichzelf)
  • bevrijdend mededogen (naar leerling)

 

 

Advies bij een afscheid (Milarepa)

Advies bij een afscheid

Eigendom en bezit zijn als de ochtenddauw;
stel ze onbeperkt beschikbaar,
zonder de geringste gierigheid.

Kostbaar is het lichaam dat kan oefenen;
houd je aan de voorschriften,
als behoedde je je eigen ogen.

Boosheid leidt je naar een laag bestaan;
verlies dus nooit je gemoedsrust,
al kost het je je leven.

Laksheid brengt nooit verwerkelijking;
doe daarom oprecht je best
en laat diepe toewijding heersen.

Afleiding houdt de grote wet verborgen;
vestig je dus geconcentreerd
in onafgebroken oefening.

Boeddhaschap vindt men niet buiten;
wees je daarom innerlijk gewaar
van geesteswerking.

Wankel vertrouwen doemt als een mistbank;
als het geloof dreigt weg te ebben,
verbind je dan des te bewuster met kracht.

 

Bron: Chang, Garma C.C.: The hundred thousand songs of Milarepa.
Boston 1999, p. 626-627
Afbeelding: krishna deltoso
Vertaling: Gedel

sluiting