Dagbesteding


Toelichting: de oorspronkelijke titel van deze tekst van Zen-meester Zhaozhou (778-897) luidt “Lied van de twaalf uren van de dag”. Een loflied op de bevrijdingsweg.
N.b.: één uur in China staat gelijk aan twee uren in het Westen.

De haan kraait; het eerste uur van de dag.
Droefheid is voelbaar, moedeloos sta ik op.

Geen lendedoek, geen onderhemd,
enkel iets dat in de verte lijkt op een pij.
Een onderbroek zonder taille, de werkbroek aan flarden;
het hoofd bedekt met vijftien kilo grauwe stof.
Als je op deze manier oefent en anderen van dienst wilt zijn,
dan besef je wat voor nietsnut je eigenlijk bent.

Zonlicht op de vloer; het tweede uur van de dag.
Een vervallen tempel in een afgelegen dorp, niets noemenswaardigs.

In de ochtendpap is geen korrel rijst te vinden;
ik staar naar het open raam met zijn vuile scheuren.
Enkel het gekwetter van mussen, niemand die ik tot vriend ben;
zittend hier in mijn eentje, hoor ik af en toe wat bladeren vallen.
Wie zei er dat je met thuisverlaten alle voorkeur en tegenzin kwijtraakt?
Als ik erbij stilsta, wordt mijn zakdoek onwillekeurig vochtig van de tranen.

De zon komt op; het derde uur van de dag.
Ongereptheid verandert in rusteloze drang.

Lees verder...

Iets doen vanwege verdienste is begraven worden in het vuil;
het domein van grenzeloosheid is nog niet schoongeveegd.
Vaak fronsen zich mijn wenkbrauwen, zelden van harte tevreden;
het valt niet mee de verschrompelde grijze dorpelingen te verdragen.
Schenkingen hebben deze plek nooit weten te vinden;
een vrijlopende ezel vreet onkruid aan de ingang van de oefenruimte.

Etenstijd; het vierde uur van de dag.
Halfslachtig probeer ik het vuur aan te steken, aan alle kanten kijkend.

De voorraad meel en koekjes is vorig jaar al opgegaan;
nu ik eraan denk, krijg ik slechts speeksel te slikken.
Onophoudelijk gezucht: de dingen vallen zelden in verband;
temidden van de talrijke personen zijn er geen goede mensen.
Degenen die hier langskomen vragen enkel om een kop thee,
en als dit niets oplevert verdwijnen zij weer, nors mompelend.

Halverwege de ochtend; het vijfde uur van de dag.
Had iemand ooit gedacht, toen ik me kaal schoor, dat het er zo aan toe zou gaan?

Er was geen bijzondere aanleiding een dorpspriester te willen worden,
afgezonderd, hongerig en eenzaam, meer dood dan levend.
Van de kant van de brave burgers hier
heb ik nooit het geringste respect ervaren.
Onlangs nog kwamen zij aankloppen aan mijn poort,
maar het enige dat men zocht, was wat thee en wat papier te leen.

De zon staat in het Zuiden; het zesde uur van de dag.
Er zijn geen speciale voorschriften om te gaan bedelen voor rijst en thee.

Eerst naar de zuidelijke woningen, dan naar de noordelijke;
het spreekt vanzelf dat ik langs de route slechts excuses hoor.
Het zout is bitter, de gerst zuur,
een pasta van gierstgras, gemengd met snijbiet.
Noem het maar ‘Geschenken niet onwaardig zijn’;
een bodhisattva moet zijn geest van de Weg stevig vestigen.

Ondergaande zon; het zevende uur van de dag.
Draai alles om; niet langer opereer je in het gebied van licht en schaduw.

Ooit hoorde ik: “Eenmaal verzadigd, vergeet je de verhongering.”
dat is precies hoe mijn lijf vandaag voelt.
Geen Zen-onderzoek, geen overwegen van wetmatigheid,
enkel het spreiden van deze haveloze mat en een dutje in de zon.
Een mens kan beelden maken, verhevener nog dan de Tushita-hemel,
maar dat haalt het niet bij deze zon-gebakken rug.

Namiddag; het achtste uur van de dag.
Kijk, iemand blijkt wierook te branden en buigingen te maken.

Van deze vijf oude dametjes hebben er drie een bierbuik,
de andere twee hebben een gezicht dat bol staat van de rimpels.
Lijnzaad-thee, zo zeldzaam,
dat de twee beschermgoden hun spieren niet hoeven te schudden.
Ik bid dat, als volgend jaar de zijde en gerst gerijpt zijn,
de eerwaarde Rahula mij zal groeten.

Zonsondergang; het negende uur van de dag.
Wat valt er te beschermen, behalve ongerepte wildernis?

Een monnik toont zijn grootsheid in functieloos bewogen worden;
van tempel tot tempel gaand, heeft hij de eeuwigheid.
Code overstijgende woorden komen niet via de mond;
belangeloos ga je verder waar Boeddha’s zonen ophielden.
In je handen een staf van onbewerkt braamhout,
om bergen te beklimmen, maar ook om honden te verjagen.

Gouden duisternis; het tiende uur van de dag.
Alleen rustend in het duister van dit ene, lege vertrek.

Voorgoed onvatbaar voor het flakkerend kaarslicht
is de puurheid hier voor mijn ogen gitzwart.
Zelfs een bel die braafjes de dag afrondt hoor ik niet,
enkel het luidruchtig gescharrel van oude ratten.
Wat heeft een mens nou nodig om zich verbonden te voelen:
elk van mijn gedachten is verlichtingsbesef.

Tijd om te slapen; het elfde uur van de dag.
Heldere maan boven de poort: misgunt hij zich ook maar iemand?

Nu ik weer naar binnen ga, betreur ik dat het bedtijd is;
de kleren om mijn lijf doen dienst als deken.
Hoofdmonnik Liu en asceet Chang:
prachtig, hoe zij lipwapperend goedheid bespreken!
Wat doet het ertoe als mijn loze vleesvracht wordt geledigd;
vraag je “Waarom?”, dan zal elk antwoord jou blijven verbijsteren.

Middernacht; het twaalfde uur van de dag.
Hoe zou dit beleven er zelfs maar één moment niét kunnen zijn?

Als ik denk nu aan hen die hun wereldse woning verlaten,
voel ik me een eeuwenoude tempeldienaar.
Er is dit bed van aarde, een versleten rieten mat,
en een oude, houten hoofdsteun zonder enige bekleding.
Het heilig beeld van de Boeddha krijgt geen wierookverering;
uit de as van het strovuur klinkt het schijten van de os.

Bron: James Green: The recorded sayings of Zen master Joshu. Boston 1998, p. 171
Vertaling: Gedel
Foto: Rakuten

sluiting

Over afgescheidenheid (meester Eckhardt)

Ik prijs afgescheidenheid* boven alle liefde.
Want het voornaamste van de liefde is dat zij mij dwingt God lief te hebben, terwijl daarentegen afgescheidenheid God dwingt om mij lief te hebben.

Nu is het veel heerlijker om God naar mij toe te dwingen dan mij naar God toe.
En dat komt omdat God zich voegzamer in mij kan voegen en zich beter met mij verenigen dan ik me zou kunnen verenigen met God.

Dat afgescheidenheid voor niets anders ontvankelijk is dan voor God bewijs ik met het volgende: wat ontvangen moet worden, moet ergens in ontvangen worden.
Nu komt afgescheidenheid het niets zo nabij, dat geen ding zo teer gebouwd is dat het daarin zou kunnen passen, behalve God.

Dit moet je weten: leeg en ontdaan zijn van al het geschapene is vol zijn van God, en vol zijn van al het geschapene is afwezigheid van God.

* Met afgescheidenheid wordt hier niet bedoeld scheiding, maar los staan, de puurheid van geen verwikkeling, vrij zijn van condities. Zen noemt dit vormloosheid, leegte, onvoorwaardelijkheid.

Meester Eckhart: Over God wil ik zwijgen;
preken en traktaten. Groningen 2014, p. 350

 

sluiting

Falend leraarschap (video)

Klik de afbeelding om de video te starten [opent nieuw venster].

Dialoog tussen Zen-leraar Doshin Nelson en Vedanta-leraar Andrew Cohen (sept. 2016).
Thema: de risico’s van leraarschap (voor jezelf en voor anderen).

Ons ego zoekt overal voordeel, ook in de Dharma.
Leraarschap wordt dan een machtig wapen:

  • bewogen door waarheidsliefde of zelfbedrog?
  • de zin van het leven zoeken of een eigen zin najagen?
  • je eigen tekorten beseffen of op anderen projecteren?

Dit is geen specifiek spiritueel probleem maar een diep-menselijk lijdensaspect, een grondknoop in onze onwijsheid.
Een betrouwbare leraar moet op zijn minst een voldoende rijpe beoefenaar zijn – en niks extra’s.

Leerling:

  • authenticiteit bewaren (naar zichzelf)
  • eindkwaliteit verwachten (naar leraar)

Leraar:

  • vervullende leegte (naar zichzelf)
  • bevrijdend mededogen (naar leerling)

 

 

Advies bij een afscheid (Milarepa)

Advies bij een afscheid

Eigendom en bezit zijn als de ochtenddauw;
stel ze onbeperkt beschikbaar,
zonder de geringste gierigheid.

Kostbaar is het lichaam dat kan oefenen;
houd je aan de voorschriften,
als behoedde je je eigen ogen.

Boosheid leidt je naar een laag bestaan;
verlies dus nooit je gemoedsrust,
al kost het je je leven.

Laksheid brengt nooit verwerkelijking;
doe daarom oprecht je best
en laat diepe toewijding heersen.

Afleiding houdt de grote wet verborgen;
vestig je dus geconcentreerd
in onafgebroken oefening.

Boeddhaschap vindt men niet buiten;
wees je daarom innerlijk gewaar
van geesteswerking.

Wankel vertrouwen doemt als een mistbank;
als het geloof dreigt weg te ebben,
verbind je dan des te bewuster met kracht.

 

Bron: Chang, Garma C.C.: The hundred thousand songs of Milarepa.
Boston 1999, p. 626-627
Afbeelding: krishna deltoso
Vertaling: Gedel

sluiting

 

Spiritualiteit

Spiritualiteit is geen kwestie van braafheid (slaafs de regels of rituelen volgen), noch een kwestie van uitzonderlijkheid (speciale ervaring, bijzondere toetsing).
Nee, spiritualiteit is simpelweg het meest basale aspect van mens zijn: toekomen aan onze ware aard.

Innerlijke kwaliteit (spiritualiteit) is de dagelijkse basis van al onze motivatie, van onze beleving en van ons funktioneren:

  • het verklaart de vasthoudendheid in ons zoeken naar geluk
  • het verklaart onze onvrede met vluchtige ervaringen
  • het verklaart ons aanpassingsvermogen, ons leerpotentieel

Want wat heb je als schepsel nu werkelijk nodig?
Twee elementaire dingen:

  1. rust in het hart
  2. brood op de plank

Dat is wat leraren als Boeddha en Christus (en álle goede leraren) hebben verkondigd en belichaamd: innerlijke kwaliteit is de essentie.
Is die basis eenmaal gevestigd, dan valt levensonderhoud en zintuiglijk bestaan vanzelf wel op zijn plaats.
Zij adviseren ten aanzien van wereldse verschijnselen:

  • houd je verre van zaken als roem, bezit, macht, succes – investeer er niet in, haal ze uit je systeem voorzover ze fungeren als motivator en identificator
  • zoek naar werkelijke vervulling en zingeving, zorg dat je je leven goed besteedt, ontdek wat de bedoeling is van jouw bestaan hier

In Boeddha’s eigen leven zijn er drie cruciale momenten aan te wijzen die van doorslaggevende betekenis zijn:

  1. thuisverlaten: anderen loslaten – eenzaamheid overwinnen
  2. verwerkelijking: de tijd loslaten – onbestendigheid overwinnen
  3. sterven: het lichaam loslaten – sterfelijkheid overwinnen

Dit zijn momenten die relevant en navoelbaar zijn voor ieder mens, alleen al in hun symbolische betekenis.
Je kunt ze niet alleen zien als particuliere, tijdgebonden ervaringen maar meer nog als permanente aspecten die voortdurend aan de orde zijn en die te maken hebben met het transcendente (het vormloze) in ons bestaan.

Zij vormen de diepe, universeel menselijke leerprocessen waarin duurzame levenskwaliteit wordt gevestigd en existentiële wetmatigheden blijvend gezag krijgen als reële bewustzijnsstaten.
Ieder van ons hoeft slechts deze drie klussen te klaren.
De rest is bijzaak.

Bedenk: Boeddha heeft het begrip “boeddhisme” nooit gekend…
Hij was niet uit op exclusieve processen of speciale rituelen, wilde geen wereldse instituten oprichten of verandering nastreven van het maatschappelijk bestel.

Het centrale grondmotief in Boeddha’s leven was zelfverwerkelijking, individuele waarheidsvinding, het realiseren van wijsheid: ontwaken.

Bron:
Ad van Dun: Thema’s ter verwerkelijking

 

sluiting

Het Ongeborene (door Zen-meester Bankei)

Niet één van jullie hier in dit gezelschap is onverlicht.
Hier, op dit moment, zitten jullie hier voor mij als boeddha’s.
Ieder van jullie ontving het boeddha-bewustzijn via je moeder toen je geboren werd, en anders niets.
Jullie zijn een verzameling ongeboren boeddha-geesten.
Als iemand denkt: “Nee, ik niet. Ik ben niet verlicht,” dan vraag ik hem naar voren te stappen.
Zeg me dan: wat maakt iemand onverlicht?

In feite bevinden zich hier geen onverlichte mensen.
Nu is het mogelijk dat je bij het verlaten van deze zaal tegen iemand opbotst, of dat iemand jou van achteren omver loopt. Wanneer je naar huis gaat, kan het zijn dat je echtgenoot, zoon, schoondochter of iemand anders iets doet wat je niet leuk vindt. Als zoiets gebeurt, en je houdt daaraan vast en gaat daarover broeden – het bloed stijgt naar je hoofd, je hoorns gaan overeind staan, en je vervalt in allerlei illusies vanwege eigenbelang – dan zal het boeddha-bewustzijn veranderen in een aggressieve geest, of je nu wilt of niet. Zolang dit niet gebeurt, leef je gewoon zoals je bent in het ongeboren boeddha-bewustzijn; je bent niet begoocheld of onverlicht. Maar zodra je er iets anders van maakt, word je een onwetend begoocheld iemand.
Alle illusies werken op dezelfde manier.

Daarom, wat iemand ook mag doen of zeggen, en wat er ook gebeurt, laat de dingen zoals ze zijn. Maak je er niet druk om en zoek geen voordeel voor jezelf. Blijf gewoon zoals je bent, direct in de boeddha-geest, en maak er niks anders van. Als je dat doet, dan zullen er ook geen illusies verschijnen en dan leef je onophoudelijk in het ongeboren bewustzijn. Jij bent een levende, ademende, stevig gevestigde boeddha.
Zie je niet? Je hebt een onbetaalbare schat in handen.

Wat zazen (meditatie) betreft: dat is een kwestie van de boeddha-geest op zijn gemak laten zitten. Het is het boeddhabewustzijn dat onafgebroken zazen doet. Zazen beperkt zich niet tot de tijd die je zittend doorbrengt. Daarom, als mensen hier iets moeten doen terwijl ze zitten, staat het hen vrij om op te staan en het te doen. Het ligt aan henzelf, aan hun bezieling.
Het is dan ook verkeerd om mensen een “grote bal van twijfel” aan te praten.

Mijn weg heeft niets van doen met “eigen kracht” of “kracht van anderen”. Het gaat beide teboven. Het bewijs hiervoor is het volgende.
Je zit hier tegenover me en luistert naar me; als er ergens een mus fluit of een kraai roept, of een man of vrouw zegt iets, of de wind ritselt in de bladeren – ook al zit je zonder enige bedoeling om te luisteren, je zult elk geluid horen en onderscheiden.
Omdat het niet jijzelf is die zorgt voor het horen, is het geen “eigen kracht”.
Anderzijds zou je er niets aan hebben, als een ander de geluiden voor jou zou horen en onderscheiden. Het is dus ook geen “kracht van anderen”.

Wanneer je zo luistert in het ongeborene, wordt elk geluid waargenomen zoals het zich voordoet. En dat geldt voor alle andere dingen, op precies dezelfde manier: het wordt volmaakt verzorgd door het ongeborene. Eenieder die zijn leven doorbrengt in het ongeborene, zal ontdekken dat dit waar is – wie het ook moge zijn. Niemand die in het ongeborene leeft, houdt zich bezig met zelf of ander. Hij leeft voorbij deze dingen.

Een monnik: “Als ik diep in slaap ben, droom ik soms. Waarom heb ik dromen? Wat betekenen ze?”
Bankei: “Als je stevig slaapt, droom je niet. Jouw dromen betekenen dat je niet stevig slaapt.”

Het belangrijkste is te ontdekken wie je bent.
Luister zorgvuldig naar mijn richtlijnen. Als je ernaar handelt, en je wordt er zelf absoluut zeker van, dan ben je op datzelfde ogenblik een levende boeddha.
Stop gewoon, en kijk waar dit zelf van jou vandaan komt.

Als je ongeboren bent, ben je de bron van alle dingen.
Het ongeboren boeddha-bewustzijn is de plek waar de boeddha’s uit het verleden allen hun verwerkelijking bereikten, en waar toekomstige boeddha’s datzelfde zullen doen.
Al bevinden we ons in de nadagen van de dharma, als ook maar iemand in het ongeborene leeft, dan bloeit de dharma in de wereld.
Geen twijfel mogelijk.

 

Dharma onderrichting van Zen meester Bankei (1622-1693).
Bron: Waddell, Norman: The Unborn; the life and teaching of Zen Master Bankei.
San Francisco 1984

 

 

sluiting